Een buitenlandse belastingplichtige ondernemer met een vaste inrichting in Nederland mag voor het urencriterium, net als een ondernemer die in Nederland woont, ook de uren meetellen die hij besteedt aan zijn buiten Nederland gevestigde onderneming, naast de uren die hij besteedt aan de vaste inrichting in Nederland. Dit staat in een besluit dat het Ministerie van Financiën onlangs heeft uitgebracht. Het besluit geeft hiermee beleidsmatige invulling aan het arrest Gielen van het Hof van Justitie EU dat dit hof op 18 maart 2010 had gewezen. Als een ondernemer voldoet aan het urencriterium en aan eventuele aanvullende voorwaarden, komt hij in aanmerking voor diverse fiscale faciliteiten die deel uitmaken van de ondernemersaftrek zoals de zelfstandigenaftrek, de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk en de meewerkaftrek. Het besluit geeft ook aan of en zo ja welk deel van de ondernemersaftrek een buitenlandse ondernemer kan toerekenen aan de Nederlandse winst en welk deel aan de buitenlandse winst. De toezegging in het besluit geldt ook voor een toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve (for), omdat ook hiervoor het urencriterium geldt. Voor het aan de for toe te voegen bedrag wordt bij een buitenlandse ondernemer, net als bij in Nederland woonachtige ondernemers, uitsluitend gekeken naar de ‘Nederlandse’ winst. Dat wil zeggen dat alleen de winst van de vaste inrichting in Nederland bepalend is voor een eventuele toevoeging aan de for. Het besluit is op 11 juni 2010 in werking getreden en werkt terug tot en met 18 maart 2010.
Volledig bericht
Een buitenlandse belastingplichtige ondernemer met een vaste inrichting in Nederland (hierna: buitenlandse ondernemer) mag voor het urencriterium ook de uren meetellen die hij besteedt aan zijn buiten Nederland gevestigde onderneming, naast de uren die hij besteedt aan de vaste inrichting in Nederland. Dat staat in een besluit dat het Ministerie van Financiën onlangs heeft uitgebracht. Het besluit geeft hiermee beleidsmatige invulling aan het arrest Gielen van het Hof van Justitie EU dat dit hof op 18 maart 2010 had gewezen.
Als een ondernemer voldoet aan het urencriterium en aan eventuele aanvullende voorwaarden, komt hij in aanmerking voor diverse fiscale faciliteiten die deel uitmaken van de ondernemersaftrek, zoals de zelfstandigenaftrek, de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk en de meewerkaftrek. De Nederlandse wet bevat echter voor buitenlandse ondernemers een beperking die in strijd is met de vrijheid van vestiging uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De in een andere lidstaat gewerkte uren tellen namelijk niet mee voor het urencriterium, terwijl voor inwoners van Nederland alle uren meetellen, ook de uren die voor een onderneming in het buitenland zijn gewerkt. Het nadeel dat buitenlandse ondernemers ondervinden van de Nederlandse wetgeving, wordt door het onderhavige besluit alvast weggenomen.
Het besluit geeft ook aan of en zo ja welk deel van de ondernemersaftrek een buitenlandse ondernemer kan toerekenen aan de Nederlandse winst en welk deel aan de buitenlandse winst. Vanaf 1 januari 2006 geldt als uitgangspunt dat een voor een binnenlandse belastingplichtige ondernemer gunstige benadering kan worden gevolgd. Deze benadering houdt in dat bij zowel ‘Nederlandse’ winst als buitenlandse winst de ondernemersaftrek eerst in mindering komt op de Nederlandse winst. Is de Nederlandse winst onvoldoende om de ondernemersaftrek daarop in mindering te brengen, dan wordt het restant toegerekend aan de buitenlandse winst. Het besluit geeft aan dat een buitenlandse ondernemer deze gunstige benadering ook mag volgen. Wanneer uitsluitend sprake is van buitenlandse winst wordt de ondernemersaftrek volledig toegerekend aan deze buitenlandse winst en leidt dit voor dat bedrag niet tot een (toekomstige) verlaging van de Nederlandse belastinggrondslag.
De toezegging in het besluit geldt eveneens voor een toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve (for), omdat ook hiervoor het urencriterium geldt. Voor het aan de for toe te voegen bedrag wordt bij een buitenlandse ondernemer, net als bij in Nederland woonachtige ondernemers, uitsluitend gekeken naar de ‘Nederlandse’ winst. Dat wil zeggen dat alleen de winst van de vaste inrichting in Nederland bepalend is voor het aan de for toe te voegen bedrag. Hierdoor zijn geen specifieke regels nodig voor toerekening van de oudedagsreserve.
Het besluit is op 11 juni 2010 in werking getreden en werkt terug tot en met 18 maart 2010.
Bron: PWC/Ministerie van Financiën, 10-6-2010, nr. DGB2010/2574M